Excerpt for Tovertaarten en Nachtgluiperds by Tais Teng, available in its entirety at Smashwords

Tovertaarten en Nachtgluiperds

door Tais Teng

Tovertaarten en Nachtgluiperds Copyright 2012 Tais Teng
Omslagillustratie Copyright 2012 Tais Teng

ISBN: 978-1-4660-5660-2


Verantwoordelijke uitgever: Tais Teng. Uitgebreide informatie over alle Tais Teng-titels is te vinden op www.taisteng.nl


Dit boek is verschenen onder het Verschijnsel-imprint. Verschijnsel is een imprint voor oorspronkelijk Nederlandstalige ideeënliteratuur van meerdere uitgeverijen in digitale vorm. Deze e-boeken zijn bijeengebracht op verschijnsel.net.


Uitgeverij Verschijnsel heeft zijn eigen fonds van oorspronkelijk Nederlandstalige ideeënliteratuur, uitgebracht in gebonden edities en/of in paperback. Uitgebreide informatie over al deze titels, inclusief romanfragmenten en complete korte verhalen, is te vinden op www.verschijnsel.net


No part of this book may be reproduced in any form, by print, photo-print, microfilm or any other means without written permission from the publisher / Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.


***

Smashwords Edition, License Notes

This ebook is licensed for your personal enjoyment only. This ebook may not be re-sold or given away to other people. If you would like to share this book with another person, please purchase an additional copy for each recipient. If you’re reading this book and did not purchase it, or it was not purchased for your use only, then please return to Smashwords.com and purchase your own copy. Thank you for respecting the hard work of this author.

Inhoudsopgave


1. Bibbermollen trekken nooit belletje

2. Een aardappelneus en olifantsklossen

3. Beroemd!

4. Verpulpt en uitgeperst

5. Ik hoef geen spreuken meer!

6. Waar is het boek met de duizend ijselijke spreuken?

7. Tovertaarten en...

8. Pimpelpaars met blauwe stippen

9. Wie wenst dit huis te betreden?

10. Spiegelbeelden

11. De sterkste aller lijfwachten

12. A is een Arpibar


Over Tais Teng

Andere boeken van Tais Teng

Over Verschijnsel


1. Bibbermollen trekken nooit belletje


Nu Fred in het hoge gras aan de andere kant van het tuinmuurtje staat, lijkt het huis groter dan ooit. Een dreigende massa verweerde baksteen, die bij elke stap iets verder boven hen uitsteekt.

Fred werpt een blik op zijn vriend. "Eh, Herman. Ik weet niet of dit wel zo'n slim idee was."

"Slim idee," bouwt Herman hem na. "Fred, je klinkt als een bibbermol. Eentje, die rauwe wormen poept als je naar hem wijst." Herman klakt met zijn tong en schudt droevig zijn hoofd. "Jij durft ook nooit niks."

"Ik ben geen bibbermol!"

"Bewijs dat maar."

Als het op scheldwoorden aankomt, kan niemand Herman overtreffen. Kacheltjeskoekoek. Jokertje Druipneus. Bibbermol klinkt erger. Een bibbermol is beslist vreselijk laf. Zo'n diertje dat in elkaar krimpt zodra je "Boe!" tegen hem roept.

"Ik ben heus niet bang. Daar gaat het niet om..."

Fred kijkt nog eens naar het ouderwetse herenhuis. Overal torentjes en erkers en de meest vreemde uitsteeksels. De grijze dakpannen groeien als de schubben van een draak over het spitse dak.

Hoge eiken sluiten het huis in. Onder de bomen kleuren de schaduwen al inktzwart.

Een spookhuis, denkt Fred. Zodra je over de drempel stapt, smakt de deur achter je dicht. En daarna nemen de bewoners je te grazen. Wezens met lange, brokkelige nagels en slierten spinrag aan hun armen.

Hij trekt zijn schouders naar achteren, haalt diep adem. Ik hoef niet naar binnen te gaan. Ik druk op de bel en sprint weg. Dat is alles. Ik ben heus niet zo stom om daar binnen te gaan.

"Het tuinpad," zegt hij. "Ik bedoel, dat is veel te lang. Minstens twintig meter. Als ik op de bel druk, zien ze me wegrennen." En vertellen ze het aan mijn ouders. Alleen zegt hij dat laatste niet hardop. Herman zou het slap geklets vinden. Toch maakt hij zich daar nog de meeste zorgen over. Wanneer een bloeddorstige weerwolf je armen en benen afbijt, is dat natuurlijk rottig. Het is nog veel rottiger als de bewoners bij zijn ouders gaan klagen.

Herman snuift. "Geen mens ziet je. Je duikt gewoon in de struiken weg. Die groeien tot vlak naast de deur."

"O ja? Waarom trek jij eigenlijk geen belletje? Volgens mij ben je zelf een kikkermol!"

"Bibbermol. Jij je zin, we gaan met zijn tweeën. Dan ren ik naar links en jij naar rechts. De struiken zijn trouwens hoger aan jouw kant. En dichterbij."

"Mij best," zegt Fred. Het nare gevoel in zijn maag wordt sterker. Alsof hij een baksteen heeft ingeslikt.


Het grind knarst bij iedere stap onder Freds schoenzolen. Luid genoeg om een huis vol weerwolven de oren te laten spitsen, denkt hij. Dat nadrukkelijke "Sgruh, sgruuh." Ja, als dit een griezelvideo was, waren we nu halverwege de film. De acteurs sluipen naar het spookhuis en je hoort het grind knarsen. Een van de twee gaat er altijd aan en het monster ontsnapt. Pas tegen het einde krijgt de overlevende de weerwolf te pakken.

Ik durf te wedden dat Herman de overlevende zou zijn...


Ze stoppen bij de stenen trap naar de voordeur. Een stuk of zeven treden van korrelig graniet. Aan weerszijden van de trap hurken cementen leeuwen met vleugels en een wapenschild tussen hun klauwen.

Ze zien er verdacht nieuw uit en dat stelt Fred enigszins gerust. Geen mos of iets. Een echt spookhuis zou overtuigender leeuwen hebben. Oeroude. Niet van die dingen die vorige week nog in een tuincentrum stonden.

Fred zet zijn voet op de eerste trede. "Ik bel aan," verkondigt hij. Hij werpt een schichtige blik over zijn schouder. Ja, de struiken groeien inderdaad tot aan de deur. Hoogstens zes stappen verder. Zover hij kan nagaan zitten er ook geen doorns aan.

Fred legt zijn vinger op de glanzende, koperen knop. Vreemd, zo koud als dat ding voelt. Vrieskoud bijna. Hij drukt. Dieper in het huis hoort hij een gong overgaan. Ding-dong. Een erg bescheiden geluidje, gaat het door hem heen. Eenzaam ook. Zo klinkt een bel in een leeg huis.

Dat was het dan. Nu heb ik bewezen dat ik geen bibbermol ben. Wegwezen!

De deur vliegt open. In de opening staat een vrouw. Minstens zo oud als Freds moeder en die is al vijfendertig.

"Hé, hallo. Wat ik kan ik voor jullie betekenen?"

Een lange vlecht hangt over haar linkerborst en eindigt in een gouden ring. Fred ziet iedere haar in het lage zonlicht glinsteren.

Wegwezen! denkt hij. Vlucht het pad af. Ze kan ons onmogelijk alle twee grijpen.

Freds voeten blijven onbeweeglijk staan. Alsof zijn schoenzolen met superlijm aan de treden geplakt zitten.

"Ja?"

"Ik, eh. Wij..." Fred wappert hulpeloos met zijn handen. Ze vraagt vast waarom we belletje trokken, flitst het door hem heen. En of we dat eigenlijk niet erg kinderachtig vinden. En dan wil ze mijn naam weten.

Hij weet heel zeker dat hij haar zijn naam dan zal vertellen.

Mijn ouders maken me af!

"Ah, nu snap ik het!" lacht de vrouw. "Bezoekers! Wat gezellig. Kom toch binnen, jongens. Niet zo verlegen."

Freds voeten lopen haar achterna. Het moet hun eigen idee zijn, want de vrouw volgen is wel het laatste wat Fred wil.

Fred en Herman stappen over de hoge drempel, een schemerige vestibule in.

Ik ben over de drempel gestapt, jammert een stemmetje in Freds hersens. Over de drempel van het spookhuis...

Hou op, denkt Fred. Hou je kop, bibbermol!

Fred mag doodsbang zijn, hij is nog veel banger om dat aan Herman te laten merken.

Vlak achter zich hoort hij de voetstappen van Herman. Kalme voetstappen. Vol zelfvertrouwen. Herman is voor niets en niemand bang en zeker niet voor een vreemde vrouw.

Ik kan even dapper zijn als Herman, denkt Fred. Het enige wat ik moet doen is niet naar mijn bibbermol luisteren.

Achter zich hoort hij de voordeur in het slot vallen. Ik zit opgesloten!

Mond dicht, bibbermol!


"We zagen hier gisteren voor het eerst licht branden," zegt Herman. "We waren benieuwd wie hier was komen wonen."

"Wonen jullie in deze buurt?"

"Een paar straten verder," liegt Herman.

Eerder een paar kilometer verder, denkt Fred. En we eten over een half uur. Ik had al thuis moeten zijn.


Aan het eind van de lange gang zwaait een deur geruisloos open. Erachter wacht duisternis.

Niks aan de hand, denkt Fred. Net als bij de supermarkt. Een automatische deur.

Hij zoekt de deurpost af naar zo'n kastje.

Niets. Ik kijk er vast gewoon overheen.

"Ik heb de open haard maar aangestoken," zegt de vrouw. "Het wordt al behoorlijk guur."

Een onzinnige opmerking: het is augustus en 's nachts moet Fred de ventilator vaak aanzetten om zijn bed niet uit te zweten.

De vrouw heeft de gordijnen dichtgetrokken, ziet Fred meteen. Dikke gordijnen, die geen kiertje licht doorlaten. Buiten moet de zon nog schijnen, hier had het net zo goed nacht kunnen wezen.

Zou ze niet willen dat iemand naarbinnen kijkt? Omdat ze iets te verbergen heeft?

In de open haard kruipen gele vlammen over een stapel nagloeiende houtblokken. Wat een joekel van een haard! Breed genoeg om een os in te roosteren. Het enige licht komt van de vuurplaats: de hoeken van de zitkamer zijn gevuld met schaduwen, die voortdurend uitzetten en krimpen.

"Zoek een plaatsje op de bank, jongens," zegt de vrouw. "Ik haal iets te drinken uit de keuken." Ze glipt weg in de schaduwen. Uit de donkerste hoek van de kamer komt het geklik van een deurkruk. Een vage grijze rechthoek tekent zich af.

Is haar hele huis dan stikkedonker? denkt Fred. Nergens licht?

"Cola?" komt de stem van de vrouw uit de keuken.

"Heerlijk, mevrouw!" antwoordt Fred veel te luid. Hij haat cola.

Voorzichtig, als een zwemmer die een teen in een ijsmeer steekt, laat hij zich op de bank zakken. Meeverende, leren kussen. Verrassend comfortabel en het leer heeft ook een aangename geur. Zomers. Een beetje als pas gemaaid gras. Ja, zo ruikt het vlak na een regenbui.

Freds ogen passen zich langzaam aan de duisternis aan. Het eerste dat hij opmerkt, is de massieve boekenkast tegen de muur. Plank na plank, van plint tot plafond. Ze moeten centimeters dik zijn, eerder balken dan planken. Toch buigen ze door onder gewicht van de boeken.

Die vrouw moet wel ontzettend dol op boeken zijn, denkt Fred. Ze heeft er minstens evenveel als in de schoolbibliotheek. Alleen zien haar boeken er een stuk ouder uit. De meeste zijn gebonden in stoffig, rood leer. Hoewel die kleur misschien enkel de gloed van de open haard is.

Hij blikt terug naar de open haard en fronst zijn wenkbrauwen. Ligt daar nu een of ander raar kussen? Vlak voor de haard? Het is een nogal vormeloze bobbel van een eigenaardig zwart, glanzend materiaal. Een zitzak? Ja, dat moet het zijn. Alleen, waarom is hij zo idioot groot?

Het kussen beweegt en komt overeind op vier soepele poten.


"Een kat," fluistert Herman hees. "Gewoon haar kat."

Fred bijt op het puntje van zijn tong om niet te gillen. De kat strekt zich tot zij minstens twee meter lang lijkt en kijkt de jongens aan. Haar ogen zijn geel, goudgeel, en ze gloeien in het duister.

"Dat is geen kat!" hoort Fred zichzelf met een piepend bibbermolstemmetje blaten. "Dat is een zwarte panter!"

Zijn neus begint prompt afgrijselijk te jeuken, maar hij durft niet te krabben.

Niet schreeuwen. Geen onverwachte bewegingen maken. Beweeg helemaal niks. Zo lang je maar rustig blijft, doen wilde dieren je niks. Een jachtopziener in een natuurfilm beweerde dat, herinnert hij zich nu. Hij gelooft er geen woord van.

De panter sluipt dichterbij. Ze snuffelt aan de zolen van Hermans schoenen en likt dan over de rug van Freds rechterhand.

Niet gillen. Niet bewegen.

Haar tong voelt als schuurpapier. Een lap slijmerig schuurpapier. Uit haar keel stijgt een dreigend gerommel op en het duurt eindeloze seconden voor Fred begrijpt dat ze spint. Ze wrijft haar kop tegen de bankleuning en glipt dan door de open keukendeur weg.

Zo voelt een echt avontuur dus, denkt Fred. Je zit in een stikdonkere kamer met een hongerige zwarte panter terwijl je op een glas cola wacht, dat je niet eens wil. Lag ik maar in bed met vreselijke kiespijn! Met vreselijke kiespijn en twee gebroken armen.

"Ik wil hier weg," piept hij. "Herman, laten we hem smeren."

Herman knikt bedachtzaam. "Dames die zwarte panters houden, zijn niet te vertrouwen. Ik denk dat ze een..." Hij maakt zijn zin niet af. Herman voert de spanning graag op.

"Dat ze een wát is?" vraagt Fred zenuwachtig. Hij wipt van zijn ene voet op de andere, klaar voor een wanhopige sprint naar de voordeur.

"Ik vermoed dat ze een heks is," zegt Herman plechtig.

"Laat je nakijken! Heksen bestaan niet. Ik wil hier weg voor ze mij in een pad verandert!"

"Niet zo snel! Heksen, heksen hebben beslist toverboeken. Met spreuken die echt werken."

Herman slentert naar de boekenkast. "Eén klein boekje zal ze vast niet missen." Hij schuift een schedel opzij, trekt een van de dikste boeken uit de kast en blaast het stof van de rug. "Dit moet beslist een toverboek zijn. Er staat een gouden draak op de omslag."

Uit de keuken klinkt een zacht getinkel.

"Willen jullie ijsblokjes in je cola?" vraagt de vrouw, nee, de heks.

"Ja, graag," roept Herman terug. "En rietjes als u die heeft."

"Komt voor elkaar."


Ze hebben geluk: de kamerdeur piept niet. Fred schiet de schemerige gang in. Hij lijkt onmogelijk lang: een mijngang, die bij elke roffelende stap nog een paar meter aangroeit. Het bloed bonst in zijn oren als ze de vestibule eindelijk bereiken.

Fred klauwt naar de deurknop, wrikt en rukt. Het gladde metaal glipt onder zijn vingers weg en weigert te draaien.

"Laat mij maar." Herman duwt hem opzij. Hij mept op de knop in het midden van de deurkruk. Een gedempte klik en de deur zwaait open.

Ze stommelen naar buiten en staan knipperend in het oranje zonlicht. De zon hangt nog steeds boven de boomtoppen. Als ze zes minuten binnen zijn geweest is het veel.


Purchase this book or download sample versions for your ebook reader.
(Pages 1-10 show above.)